Bijzondere verrichtingen B

Tijdens de les en ook met het examen krijgt de kandidaat opdrachten voor de bijzondere verrichtingen. Dat kan bijvoorbeeld als volgt: Ga maar rechtsaf en ergens in die straat moet je de auto parkeren. De kandidaat moet dan bepalen aan de hand van de omgeving en het verkeer wáár en hoé hij of zij gaat parkeren. Het geheel moet vlot, veilig en zelfstandig worden uitgevoerd.

De kandidaat krijgt twee bijzondere verrichtingen, waarbij er bij tenminste één opdracht moet worden achteruit gereden. We kennen de parkeeropdracht, de stopopdracht en de omkeeropdracht. Ook kan extra tijdens de rit de hellingproef worden uitgevoerd.

Parkeeropdracht:

Parkeren kan op veel manieren. Bijvoorbeeld gewoon recht langs het trottoir, voor- of achteruit in een van wat haaks op de weg ligt ( de garagesteek ), in file voor- of achteruit. Het is maar net wat de kandidaat in de straat aantreft.

Stopopdracht:

Bij een stopopdracht moet de kandidaat stoppen achter een obstakel op een afstand van ongeveer twee meter, met de wielen in de rechtuit stand. Daarna bepalen of weer veilig kan worden weggereden en dat zelfstandig uitvoeren.

Omkeeropdracht:

Ook omkeren kan op diverse manieren. Bijvoorbeeld door middel van een halve draai als ter plaatse voldoende ruimte en zicht is, door middel van steken ( het ouderwetse straatje keren ), het steken met gebruik van een zijstraat of inrit. Alles mag, zolang het vlot, veilig en zelfstandig is.